Overslaan en naar de inhoud gaan
#Moore Law #Meerwaardebelasting #Fiscaliteit

Nieuwe meerwaardebelasting: wat weten we al?

04/03/2026 | Leestijd: 12 minuten
Thomas Kiebooms
Thomas Kiebooms
Advocaat
Contact

Op 21 april 2026 is de wet van 6 april 2026 tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De zogenoemde meerwaardebelasting is aldus een feit. Die meerwaardebelasting zal (retroactief) van toepassing zijn vanaf 1 januari 2026.

Tot nu toe werd slechts in de zeer specifieke gevallen belasting geheven op meerwaarden op aandelen. Denk hierbij aan een belasting als divers inkomen indien meerwaarden die op financiële activa werden gerealiseerd het resultaat vormden van speculatie of een abnormaal beheer van het privévermogen of een belasting als beroepsinkomen indien de meerwaarde kadert in de beroepsactiviteit. 

De meerwaardebelasting vindt nu ook toepassing wanneer de realisatie van de meerwaarde kadert binnen het normale beheer van het privévermogen van de belastingplichtige. Dergelijke meerwaarde kon men tot en met 2025 belastingvrij realiseren.

In dit artikel vatten wij de belangrijkste spelregels samen en lichten wij toe welke impact deze hervorming kan hebben voor particuliere beleggers, ondernemers en vermogende families.

Wie wordt getroffen?

De belasting treft natuurlijke personen in de personenbelasting en rechtspersonen die aan de rechtspersonenbelasting onderworpen zijn (zoals vzw’s en private stichtingen). Er geldt een uitsluiting voor erkende instellingen die gemachtigd zijn om fiscaal aftrekbare giften te ontvangen.

Belangrijk om op te merken is dat men enkel de volle eigenaars en de blote eigenaars van de hierna vermelde activa als belastingplichtige aanmerkt. De minister stelde echter ook al in de Kamercommissie Financiën dat als iemand zijn vruchtgebruik verkoopt, hij/zij hierop ook een meerwaarde kan realiseren. Of dit een meerwaarde is die geviseerd wordt door de huidige wettekst en hoe dergelijke meerwaarde belast zou worden is echter verder nog onduidelijk.

Welke activa?

De belasting zal van toepassing zijn op meerwaarden op de volgende “financiële activa”:

  • financiële instrumenten, zoals bijvoorbeeld aandelen, obligaties, rechten van deelnemingen in instellingen voor collectieve belegging, ETF’s, opties, futures, swaps, warrants, etc.;
  • bepaalde verzekeringscontracten, zoals tak 21, 22, 23, 26 of de buitenlandse vergelijkbare variant hiervan;
  • crypto-activa;
  • valuta.

Bepaalde activa, zoals groepsverzekeringen, schuldsaldoverzekeringen, uitvaartverzekeringen, pensioenfondsen en langetermijnsparen blijven uitgesloten van het toepassingsgebied. Voor deze activa blijft dus het bestaande fiscale regime gelden.

Wanneer is de meerwaardebelasting verschuldigd?

De belasting wordt geheven bij een overdracht onder bezwarende titel, buiten het kader van een beroepsactiviteit. Schenkingen, erfenissen en inbrengen in een vennootschap worden vrijgesteld. Ook de inbreng van aandelen in een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid wordt vrijgesteld. Op het moment van de inbreng van de aandelen zal dus geen meerwaardebelasting verschuldigd zijn. De oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de aandelen blijft evenwel behouden. Bij latere verkoop door de verkrijger wordt bijgevolg gekeken naar de aanschaffingswaarde van de oorspronkelijke eigenaar om de belastbare meerwaarde te bepalen. 

De volgende situaties worden trouwens gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel:

  • de uitkering bij leven van verzekeringscontracten;
  • de verhuis van de fiscale woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland (‘exit tax’), met heffing op latente meerwaarden (zie hierna).

Verder kwalificeert een uitonverdeeldheidtreding in principe ook als een realisatiemoment en is de verdeling in beginsel een belastbare verrichting. Dit principe werd wel in de wet, memorie van toelichting en antwoorden van de minister in de Kamercommissie Financiën genuanceerd. 

Indien deze uitonverdeeldheidtreding volgt binnen de drie jaar na een overlijden, echtscheiding of het einde van een wettelijke of feitelijke samenwoning die deze uitonverdeeldheidtreding heeft veroorzaakt, geldt er namelijk wel een wettelijke vrijstelling. Volgens de minister geldt dit aldus ook indien een schenking in onverdeeldheid plaatsvindt en er vervolgens binnen de 3 jaar een uitonverdeeldheidtreding plaatsvindt naar aanleiding van het overlijden van de schenker. 

Voor de uitonverdeeldheidtreding in het kader van een maatschap wordt niet in een expliciete wettelijke vrijstelling voorzien. De minister van Financiën heeft uitdrukkelijk verklaard dat het beëindigen van een maatschapscontract niet leidt tot een impliciete ruil en er aldus geen heffing kan zijn. Indien er wel een impliciete ruil aan de orde zou zijn, zou er wel een gedeeltelijke overdracht zijn en aldus wel een heffing.

Exit tax

Wanneer een Belgische belastingplichtige zijn fiscale woonplaats naar het buitenland verplaatst, zal hij in principe de meerwaardebelasting dienen af te rekenen aan de grens. Deze bepaling lijkt vooral ingegeven vanuit de idee om te vermijden dat een belastingplichtige zijn/haar meerwaarden in een fiscaal gunstiger land zou realiseren. Als de belastingplichtige binnen een periode van twee jaar nog de meerwaarde realiseert, zal hij meerwaardebelasting verschuldigd zijn op de waarde op het moment van de emigratie

Gedurende een periode van twee jaar zal de belastingplichtige dan ook verplicht blijven te rapporteren over zijn financiële activa en de eventuele gerealiseerde meerwaarden daarop. Er wordt met andere woorden een uitstel gegeven op de exit tax. Bij een verhuis binnen de EER of naar een verdragsland met informatie- en invorderingsbijstand wordt dit uitstel automatisch toegekend. Bij een verhuis naar een ander land kan uitstel worden verkregen mits het stellen van een zekerheid. Dit geldt ook bij een doorverhuizing binnen twee jaar.

Het uitstel vervalt (gedeeltelijk) bij verkoop of het vestigen van een zakelijke zekerheid op de activa binnen deze twee jaar. Keert de belastingplichtige binnen die termijn terug naar België zonder overdracht van de activa, dan vervalt de exitheffing volledig.

Na afloop van de twee jaar wordt het uitstel definitief en zal de geëmigreerde belastingplichtige geen Belgische meerwaardebelasting verschuldigd zijn. 

Als tegengewicht geldt voor immigranten een “step-up” van de waarde van hun financiële activa bij aankomst in België, uitsluitend voor de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting.

Algemeen regime: 10% belasting

Het standaardtarief bedraagt 10% op gerealiseerde meerwaarden met de volgende principes:

  • basisvrijstelling van 10.000 EUR per persoon per jaar, die jaarlijks geïndexeerd wordt;
  • overdraagbaarheid van ongebruikte vrijstelling: wie de vrijstelling niet gebruikt, kan deze vrijstelling telkens 1.000 EUR per jaar gedurende maximaal vijf jaar doorschuiven;
  • wie slechts occasioneel (bijv. eenmaal per vijf jaar) een meerwaarde realiseert, kan zo maximaal 15.000 EUR aan vrijstelling genieten (voor koppels: 30.000 EUR).

Bijzonder regime: aanmerkelijk belang

Voor belastingplichtigen met een aanmerkelijk belang (20% of meer), geldt een apart regime:

  • een vrijstelling tot 1.000.000 EUR aan meerwaarde, maar slechts eenmaal per vijf jaar en per persoon;
  • naast de vrijstelling van 1.000.000 EUR aan meerwaarde, gelden progressieve tarieven:
    • 1,25% tussen 0 EUR en 2.500.000 EUR (met dus een vrijstelling van 1.000.000 EUR per vijf jaar)
    • 2,50% tussen 2.500.000 EUR  en 5.000.000 EUR
    • 5% tussen 5.000.000 EUR en 10.000.000 EUR
    • 10% boven 10.000.000 EUR.

Wie minder dan 20% van de aandelen bezit op het moment van de verkoop, valt dus onder het algemene regime. Een oprichter van een start-up wiens participatie door opeenvolgende kapitaalverhogingen met externe investeerders is verwaterd van 50% naar 18%, zal bij een latere verkoop van zijn aandelen niet in aanmerking komen voor de gunstregeling.

Ook onverdeelde participaties worden fiscaal opgesplitst. Wanneer twee personen samen 36% in onverdeeldheid bezitten, wordt dit fiscaal herleid tot een individueel belang van 18% per persoon. In dat geval wordt de drempel van 20% niet gehaald. 

Voor de meerwaarden die echtgenoten realiseren op goederen die in een gemeenschappelijk vermogen zitten, verklaarde de minister dat dit gemeenschappelijk vermogen een participatie van 40% moet hebben om onder de aanmerkelijk belangregeling te vallen. Voor de titre et finance aandelen, moet volgens de minister de beoordeling wel gebeuren in hoofde van de belastingplichtige die de “titres” in handen heeft. Het betreft hier bijvoorbeeld de situatie dat 36% van de aandelen op naam van de ene echtgenoot staan ingeschreven in het aandelenregister, maar de vermogenswaarde van deze aandelen gemeenschappelijk is ingevolge het huwelijksstelsel. In dat geval zal volgens de minister wél beroep gedaan kunnen worden op de aanmerkelijk belangregeling. Dezelfde logica geldt hier voor een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen volgens de minister.

Overdracht aan een niet-EER rechtspersoon: 16,50%

Merk bovendien op dat bij een overdracht van deze participatie van minstens 20% aan een rechtspersoon die buiten de EER (Europese Economische Ruimte) is gevestigd, een tarief van 16,5 % op het volledige gedeelte van de meerwaarde boven de eerste vrijgestelde schijf van 1.000.000 EUR zal gelden. 

Nieuw is dat de participatie niet langer minimaal 25% moet bedragen. Daarnaast wordt de eerste schijf van 1.000.000 EUR vrijgesteld. Ook binnen dit nieuwe regime blijft de historische waarde tot en met 31 december 2025 belastingvrij, zodat enkel de meerwaarden die vanaf die datum ontstaan effectief worden belast..

Interne meerwaarden: 33% heffing

Voor zogenoemde interne meerwaarden voorziet de nieuwe regeling in een afzonderlijk tarief van 33% (+ gemeentebelasting).

Van een interne meerwaarde is sprake wanneer de overdrager van aandelen of winstbewijzen zelf, al dan niet samen met zijn echtgenoot, afstammelingen, ascendenten of zijverwanten tot en met de tweede graad, rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent op de overnemer. 

Voordien probeerde de administratie deze interne meerwaarden in bepaalde gevallen als een abnormaal beheer van privévermogen te belasten, maar nu wordt dit principe dus in de wet ingeschreven als een vorm van antimisbruikbepaling. Weliswaar staat dit onder het regime van een normaal beheer. 

De minister heeft in de Kamercommissie hierover gesteld dat het stelsel van interne meerwaarden niet zal worden toegepast indien bijvoorbeeld de ouders de aandelen van een familiale vennootschap in het kader van een overdracht naar een volgende generatie overdragen aan de kinderen of de holdings van de kinderen. Ook gedeeltelijke overdrachten aan de kinderen, de holding of newco van de kinderen zou niet vallen onder het regime van de interne meerwaarden. Hierbij stelt de memorie van toelichting wel dat indien de ontvangen verkoopprijs of openstaande rekening-courant zou worden overgedragen aan de kinderen, de verrichting op basis van de algemene antimisbruikbepaling alsnog gevat zou kunnen worden.

Waardering van activa

De belastbare meerwaarde die wordt gerealiseerd in het kader van het normaal beheer van privévermogen is het verschil tussen de verkoopprijs en de aanschaffingswaarde (zonder kosten). Als referentiepunt voor deze aanschaffingswaarde geldt de slotkoers of waarde op 31 december 2025. Dit is het zogenoemde “fotomoment”. 

Gedurende vijf jaar na inwerkingtreding kan men opteren voor een historische aanschaffingswaarde, indien die hoger ligt. Met andere woorden, voor effecten die men vóór 31 december 2025 aankocht, mag men bij een verkoop tot en met 2030 nog uitgaan van de effectieve aankoopwaarde indien die hoger is. Bij een verkoop vanaf 2031 geldt echter altijd de waarde op 31 december 2025 als uitgangspunt.

De aanschaffingswaarde wordt als volgt bepaald:

  • voor beursgenoteerde activa: slotkoers op 31 december 2025;
  • voor niet-beursgenoteerde activa: de hoogste van een van de volgende vier waarderingen:
    • de waarde bij overdracht tussen onafhankelijke partijen in 2025 of waarde bij oprichting of kapitaalverhoging in 2025;
    • een waarderingsformule vastgesteld in een contract of contractueel aanbod dat in werking is op 1 januari 2026 (bv. een aandeelhoudersovereenkomst);
    • een wettelijke waarderingsformule: eigen vermogen + 4x EBITDA.
    • als alternatief kan men ook een onafhankelijke waardering door een bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant vóór eind 2027 laten opmaken. Deze bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant mag niet de gebruikelijke beroepsoefenaar zijn.
  • voor aandelen of opties onder de Aandelenoptiewet van 26 maart 1999 geldt er ook een specifieke regeling. Zeer vereenvoudigd samengevat, komt deze op het volgende neer:
    • indien de aandelen werden verkregen via een aandelenoptieplan, zal voor de meerwaardebelasting de prijs op het moment van het uitoefenen van de optie worden gehanteerd als aanschaffingswaarde. Het verschil tussen de waarde op het moment van deze uitoefening en de oorspronkelijke waarde ten tijde van het verkrijgen van de optie is dus niet belastbaar in de meerwaardebelasting (en ook in principe niet als beroepsinkomen);
    • indien de aandelen verkregen werden tegen een verminderde prijs, zal de werkelijke aandelenkoers ten tijde van de verkrijging als aanschaffingswaarde in aanmerking worden genomen. De korting die men als belastingplichtige heeft verkregen is dus niet belastbaar in de meerwaardebelasting (en onder bepaalde voorwaarden ook niet als beroepsinkomen);
    • voor opties die worden toegekend om een aandeel te kopen, zal de waarde van de optie op het moment dat deze overdraagbaar wordt, gehanteerd worden als aanschaffingswaarde. 

Voor levensverzekeringen geldt het verschil tussen de uitkering en de gestorte premies als belastbare basis.

De belasting wordt overigens enkel geheven op waardestijgingen tijdens de periode dat de belastingplichtige Belgisch rijksinwoner was.

Voor schenkingen en erfenissen geldt hetzelfde principe: de oorspronkelijke aanschafwaarde wordt overgenomen en ook hier vormt 31 december 2025 het vroegste relevante startpunt. 

Een zeer belangrijk punt in het kader van deze aanschaffingswaarde is dat de belastingplichtige in principe zal moeten kunnen bewijzen wat deze waarde is. Het is dus van groot belang om voldoende bewijsstukken te hebben.

En minderwaarden?

Alleen minderwaarden die gerealiseerd worden na 31 december 2025 komen in aanmerking binnen de nieuwe meerwaardebelasting. 

Gerealiseerde minderwaarden mogen enkel worden verrekend met meerwaarden binnen hetzelfde aanslagjaar én binnen dezelfde categorie van financiële activa. Bovendien moeten de minderwaarden steeds expliciet worden opgenomen in de belastingaangifte. Die verrekening gebeurt dus niet automatisch.

Bij effecten die via meerdere aankopen zijn verworven, wordt voor de berekening van de minderwaarde uitgegaan van de gemiddelde aankoopprijs.

Heffing en rapporteringsverplichting

De inning van de nieuwe meerwaardebelasting zal afhankelijk zijn van het type meerwaarde en van de betrokken financiële tussenpersoon. In een aantal gevallen zal de belasting automatisch kunnen worden ingehouden via een voorheffing, terwijl in andere situaties een rechtstreekse aangifte in de personenbelasting vereist blijft.

Voor bepaalde meerwaarden zal een roerende voorheffing van 10% worden ingehouden door de Belgische financiële tussenpersoon die bij de transactie betrokken is (zoals een Belgische bank of broker). Dit geldt uitsluitend voor meerwaarden die onder het algemene regime vallen.

De ingehouden roerende voorheffing is in principe bevrijdend: de belastingplichtige hoeft deze meerwaarden dan niet meer op te nemen in zijn aangifte personenbelasting.

In de praktijk kan het echter aangewezen zijn om de meerwaarden alsnog aan te geven. De Belgische tussenpersoon zal bij de inhouding namelijk geen rekening houden met:

  • de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 EUR;
  • eventuele aftrekbare minderwaarden;
  • een hogere historische aanschaffingswaarde dan de waarde op 31 december 2025.

Wie deze elementen alsnog wil laten meespelen, zal de meerwaarde zelf moeten aangeven in de aangifte personenbelasting. Een eventueel te veel ingehouden roerende voorheffing wordt dan terugbetaald. Deze keuze impliceert wel dat de belastingplichtige (gedeeltelijk) zijn fiscale anonimiteit verliest.

Om een prefinanciering van de belasting te vermijden, voorziet de wet ook in een opt-out regeling. De belastingplichtige kan zijn bank verzoeken om geen roerende voorheffing in te houden, maar moet in dat geval zelf instaan voor een correcte en tijdige aangifte.

Bij toepassing van de opt-out is de Belgische tussenpersoon wel verplicht de fiscus te informeren over:

  • het feit dat een opt-out werd toegepast;
  • de betrokken inkomsten en transacties.

De wet voorziet uitdrukkelijk geen bronheffing voor de volgende categorieën van meerwaarden:

  • interne meerwaarden;
  • meerwaarden op aanmerkelijk belang;
  • meerwaarden op crypto-activa;
  • meerwaarden op valuta, waaronder beleggingsgoud.

In deze gevallen is de belastingplichtige altijd verplicht om de gerealiseerde meerwaarden zelf op te nemen in zijn aangifte personenbelasting.

Verder is er ook een rapporteringsplicht voor tussenpersonen bij interne meerwaarde- en aanmerkelijk belang transacties. Deze rapporteringsplicht rust op elke persoon die een verrichting ontwerpt, aanbiedt, ter implementatie beschikbaar maakt of de uitvoering ervan beheert. Belangrijk is dat de verplichting enkel ontstaat wanneer de transactie effectief wordt gerealiseerd. Een louter advies over een mogelijke verrichting is dus niet voldoende. Daarnaast moet er steeds een aanknopingspunt met België zijn, zoals de fiscale woonplaats, een Belgische vaste inrichting, oprichting naar Belgisch recht of inschrijving bij een Belgische beroepsorganisatie voor juridische, fiscale of aanverwante adviesdiensten.

In principe moet elke betrokken persoon rapporteren, tenzij men schriftelijk kan aantonen dat een andere partij de melding al heeft gedaan. Advocaten vallen, door hun beroepsgeheim, buiten het toepassingsgebied van deze rapporteringsplicht.

Wat nu?

De meerwaardebelasting is officieel en retroactief in werking getreden vanaf 1 januari 2026. 

België beschikt aldus over een structurele en veralgemeende meerwaardebelasting op financiële activa, met ingrijpende gevolgen voor beleggingsstrategieën, ondernemingsgroepen, familiale structuren en vermogensplanning.

De meerwaardebelasting zal hoe dan ook een verregaande impact hebben en onder meer van belang zijn bij verkooptransacties, herstructureringen, vermogensplanningen en jaarlijkse aangifteverplichtingen. 

Aarzel dan ook niet om contact op te nemen met onze experten voor een gerichte analyse of strategisch advies.