Hoorplicht in de procedure overheidsopdrachten: recente ontwikkelingen en praktische aandachtspunten
De hoorplicht is een hoeksteen van de beginselen van behoorlijk bestuur. Toch is het niet altijd helder wanneer de hoorplicht van toepassing is in het kader van het overheidsopdrachtenrecht. Wanneer moet een inschrijver gehoord worden? En wanneer kan een aanbestedende overheid zonder voorafgaand hoormoment beslissen over een offerte? De Raad van State schept duidelijkheid in haar rechtspraak.
Hoorplicht, quid?
Het belang van de naleving van de hoorplicht kan niet overschat worden. De plicht verzekert een balans tussen overheidsefficiëntie enerzijds en de rechten van inschrijvers anderzijds en waarborgt bovendien de transparantie en zorgvuldigheid van het beslissingsproces in hoofde van de aanbestedende overheid.
De basisregel luidt dat de inschrijver enkel gehoord dient te worden voorafgaand aan het nemen van een ernstige maatregel wegens een tekortkoming die gegrond is op diens persoonlijk gedrag. De rechtspraak kleedt deze regel verder in.
De hoorplicht is het meest relevant tijdens de gunningsfase van de overheidsaanbesteding. Dit is het moment waarop de aanbestedende overheid beslist welke offerte het meest voldoet aan de gunningscriteria.
RvS 17 januari 2023, nr. 255.523
Dit arrest betreft een betwisting tussen een bedrijf dat elektrische bussen bouwt en onderhoudt als inschrijver enerzijds en De Lijn als openbare aanbesteder anderzijds. In het bestek van de overheidsopdracht die De Lijn had uitgeschreven, stond dat de bussen voorzien moesten zijn van een elektrisch uitschuifbare oprijplaat die niet mag bewegen wanneer de deuren geopend zijn. Dit werd bewust zo bepaald voor de veiligheid van de reizigers en om bovendien plaats te besparen.
De offerte van de inschrijver in kwestie bevatte tegenstrijdige en niet-conforme technische informatie. In de technische fiche ging het niet over een uitschuifbare, maar over een opklapbare oprijplaat; andere documenten spraken dan weer wel van de gevraagde uitschuifbare oprijplaat. De Lijn verklaarde de offerte van de betrokken inschrijver substantieel onregelmatig op grond van artikel 74 KB Speciale Sectoren en ging over tot een weigering van de offerte. De betrokken inschrijver werd voorafgaand aan de weigering niet gehoord en voerde bij de Raad van State aan dat dit wel had moeten gebeuren.
De Raad van State volgde de argumentatie van de inschrijver niet. De weigeringsbeslissing had namelijk betrekking op de inhoud van de offerte, niet op het gedrag van de inschrijver. De Raad bevestigt dat niet duidelijk was welke oplossing concreet tegen welke prijs werd aangeboden, wat de vergelijking van de offerte met andere offertes verhindert. De onregelmatigheid in de offerte betrof geen loutere verschrijving, zoals bijvoorbeeld een fout in het overbrengen van cijfergegevens. Daarentegen ging het om een onregelmatigheid in de essentiële technische informatie. De hoorplicht was dan ook niet van toepassing.
Dit arrest bevestigt dat aanbestedende overheden in geval van substantieel onregelmatige offertes niet verplicht zijn om een voorafgaand hoormoment te organiseren.
RvS 25 maart 2025, nr. 262.745
Dit arrest borduurt voort op het vorige. De casus betreft twee zusterondernemingen die elk een gelijkaardige offerte indienen in dezelfde aanbestedingsprocedure die betrekking heeft op landmeetkundige prestaties. De aanbestedende overheid besloot de offertes van beide ondernemingen te weren als substantieel onregelmatig op grond van artikel 5, § 1, tweede lid, van de Overheidsopdrachtenwet.
Uit voldoende plausibele aanwijzingen – zoals identieke of overlappende inhoud in de prijsberekening, casestudy en samenstelling van het uitvoeringsteam – bleek volgens de aanbestedende overheid dat de verbondenheid tussen de twee zusterondernemingen de inhoud van hun offertes had beïnvloed. De offertes waren bijgevolg niet autonoom en onafhankelijk tot stand gekomen, waardoor de mededinging werd vertekend.
Een van de zusterondernemingen trok naar de Raad van State en voerde aan dat ze niet gehoord waren door de aanbestedende overheid voorafgaand aan de uitsluiting van hun offertes. De inschrijver voerde aan dat zij daarom geen kans kreeg om aan te tonen dat de offertes wel degelijk autonoom tot stand waren gekomen. Ze had ook niet de mogelijkheid om eventuele corrigerende maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 69, eerste lid, 4°, juncto artikel 70, § 3 Wet Overheidsopdrachten.
Ditmaal gaf de Raad van State de verzoekende onderneming wel gelijk. De Raad oordeelde dat de beslissing tot wering thuishoort binnen het selectieonderzoek van de inschrijvers. De aanbesteder had dit onderzoek ten onrechte uitgevoerd tijdens het regelmatigheidsonderzoek, terwijl het in wezen niet ging om de conformiteit van de offertes met de opdrachtdocumenten, maar om de eigen kwaliteiten, de hoedanigheid, de relatie en de handelingen van de inschrijvers die deze offertes hebben ingediend. Het selectieonderzoek gaat het regelmatigheidsonderzoek vooraf, dus de aanbestedende overheid had de relatie tussen de inschrijvers in een eerdere fase moeten onderzoeken.
De uitsluiting van de offerte is in deze casus een ernstige beslissing die gebaseerd is op het persoonlijk gedrag van de inschrijver. Een dergelijke beslissing kan slechts worden genomen nadat de betrokkene de kans gekregen heeft zich hiertegen te verdedigen in het licht van de hoorplicht, te meer omdat het een facultatieve uitsluitingsgrond betreft.
Conclusie
De rechtspraak bevestigt dat de hoorplicht een essentieel, doch afgebakend instrument is. Niet elke negatieve beslissing vereist een voorafgaande kans om gehoord te worden, maar zodra sprake is van een nadeel gekoppeld aan het gedrag van de inschrijver, wordt de hoorplicht een fundamentele waarborg. Een correcte kwalificatie van de beslissing is daarbij cruciaal, zowel voor overheden als voor inschrijvers.
Heeft u nog vragen? Neem gerust contact op met ons kantoor voor een consultatie. Moore Law Kortrijk (voorheen Ockier & Partners Advocaten) verleent deskundig juridisch advies op het gebied van aanbestedingsrecht, aannemingsrecht, vastgoedrecht, omgevingsrecht en ondernemingsrecht.